Didactisch Raamwerk

Wat zijn de didactische mogelijkheden?

Zoals uit onderzoek blijkt is er ontzettend veel mogelijk met virtuele omgevingen. Dat maakt het des te moeilijker om te zien hoe een virtuele omgeving in het onderwijs gebruikt kan worden. Zoals al eerder duidelijk werd, moet elke gebruiker zichzelf een doel stellen om de virtuele omgeving betekenisvol te maken. Hetzelfde geldt ook voor het creëren van een leersituatie. De inrichting en gebruik van de omgeving veranderden bij verschillende leerdoelen. Daarnaast moet een leersituatie aansluiten bij uw manier van lesgeven/of de leerdoelen die u met de leerlingen wilt bereiken.



Het didactisch raamwerk
Om meer zicht te krijgen op mogelijke leersituaties is er een didactisch raamwerk ontwikkeld. Binnen dit raamwerk zijn samen met virtuele omgevingspecialisten, ontwikkelaars, game designers, onderwijskundigen en ervaren docenten acht verschillende leersituaties ontwikkeld en uitgewerkt. Deze leersituaties variëren in de manier van lesgeven en de mate waarin de virtuele leeromgeving wordt ingezet. Dit leidt tot de volgende varianten:

Variant A: instructiegericht, docentgestuurd;
Variant B: inhoudgericht, docent-leerlinggestuurd;
Variant C: taakgericht, leerling-docentgestuurd;
Variant D: competentiegericht, leerlinggestuurd.

Diagram ABCD

Varianten A en B zijn instructie- en inhoudsgericht; varianten C en D zijn taken competentiegericht. Kort samengevat zijn deze varianten gebaseerd op drie variabelen: type leerdoel, sturing (onderwijsmodel) en mate van beheersing. Het type leerdoel kan per variant verschillend zijn en loopt uiteen van eenvoudig (kennisgericht) tot complex (competentiegericht). Ook de sturing wisselt per variant. Bij de sturing gaat het vooral om de vraag of de leersituatie sterk docent- of leerlinggestuurd is. Hoe hoger de mate van beheersing van de virtuele omgeving, hoe complexer de leerdoelen kunnen worden geformuleerd. Dit betekent dat een leerling meer vaardigheden moet beheersen om het uiteindelijke leerdoel te bereiken.