Vakgebied: Biologie
Doelgroep: Leerjaar 1 vmbo-tl, havo, vwo
Aantal leerlingen en niveau: Niet van toepassing
Samenvatting
Leerlingen ontdekken en ervaren hoe functies en processen van het menselijk lichaam werken. Binnen de processen zijn verschillende scenario's mogelijk, waarbij de docent bepaalt welk proces leerlingen doorlopen. In de tocht door het virtuele hart leren leerlingen individueel over de invloed van processen op de werking van het hart. Zij kunnen bijvoorbeeld zien hoe het hart reageert op een open wond of aandoening. De leersituatie is interactief. Dit betekent dat leerlingen acties kunnen uitvoeren en direct zien wat het gevolg is van deze actie (een bepaalde actie leidt bijvoorbeeld tot het sneller kloppen van het hart).
Bekijk het filmpje behorende bij de casusbeschrijving
Leerdoelen
Vakgerichte kennis en vaardigheden:
• legt biologische processen in het lichaam uit;
• beschrijft het verband tussen het menselijk lichaam en de interactie met bepaalde stoffen;
• beslist welke stoffen bij welk ‘probleem' nodig zijn.
Overkoepelende vaardigheden:
• reflectieve vaardigheden;
• digitale vaardigheden, kunnen rondlopen en interacteren.
Toetsing
De docent controleert aan de hand van een nabespreking of de leerdoelen zijn gehaald. Leerlingen reflecteren hierbij over hun ervaring binnen de virtuele omgeving. Daarnaast staan ze stil bij hun keuzes en de reden waarom ze deze keuzes hebben gemaakt.
Mate van beheersing
Leerlingen moeten de virtuele omgeving benaderen en er goed in kunnen navigeren. Daarnaast moeten leerlingen zelfstandig interacties aangaan. De docent moet door de virtuele omgeving kunnen navigeren en een scenario kunnen activeren.
Gebruik van kernkwaliteiten
Het onmogelijke is in deze les mogelijk. Het interactieve, geanimeerde 3d-model van bijvoorbeeld het hart is een simulatie die buiten de virtuele omgeving niet te realiseren is. Daarnaast kan deze simulatie ondersteund worden door verschillende multimediale bronnen. Door gebruik van verschillende scenario's kunnen
verschillende processen uitgelegd worden. Het leerobject is daardoor flexibel, herbruikbaar en uit te breiden.
Leerlingen maken hun eigen keuzes en zien direct de gevolgen van hun keuzes.
Conclusie
Van alle acht leersituaties wordt deze leersituatie door alle verschillende docenten als meest kansrijk gezien voor het onderwijs. Aandacht, diepte en efficiency worden allemaal hoog beoordeeld bij docenten met zowel een voorkeur als geen voorkeur voor kennisconstructie. Docenten die hebben aangegeven biologie of verzorging te onderwijzen beoordelen de leersituatie hoger dan leraren wiskunde. De leersituatie gaat dan ook heel specifiek over vakinhoud die voor deze docenten herkenbaar is. Dit betekent echter niet dat de leersituatie door de andere vakgebieden niet als kansrijk wordt gezien; ook zij zien dit als de meest kansrijke leersituatie. Dit geldt ook voor docenten uit het mbo en leraren in opleiding.
Docenten geven over het algemeen aan dat zij deze leersituatie in de nabije toekomst zouden willen gebruiken. Docenten met een voorkeur voor kennisconstructie hebben daarbij een hogere voorkeur voor toekomstig gebruik. Ongeveer 60% geeft hiervan aan binnen drie jaar in sterke of zeer sterke mate deze manier van lesgeven te willen toepassen, tegenover 43% bij docenten met een lage voorkeur voor kennisconstructie.
Bekijk de volledige casusbeschrijving [- 301 Kb ]

